Enkele maanden geleden hebben archeologen twee terreinen ten zuiden van de Streekweg opgegraven, in het kader van de aanleg van de N23-Westfrisiaweg. Dit gebied kent een lange geschiedenis van onderzoek naar resten uit de bronstijd. Halverwege de jaren 60 begonnen archeologen van de Universiteit van Amsterdam hier voor het eerst met grootschalig nederzettingsonderzoek (Hoogkarspel-Tolhuis). Wat hebben al deze opgravingen aan bronstijdresten opgeleverd? In dit artikel wordt een kort overzicht gepresenteerd.

PNH 8873

Luchtfoto waarop enkele werkputten met bronstijdsporen te zien zijn van het onderzoek in 1968 op vindplaats F.

We kennen de grafheuvels, maar hoe zagen de nederzettingen eruit?

In de jaren 40 en 50 werden enkele Westfriese bronstijd grafheuvels onderzocht. Over de nederzettingsterreinen was in die tijd nog nauwelijks iets bekend. De archeologen Bakker en Brandt schrijven hierover: ‘(…) dat er een dringende behoefte bestond aan een onderzoek van een nederzettingscomplex in oostelijk West-Friesland – bij voorkeur met veel mobilia in stratigrafisch verband!’ Een bodemkartering door Ente en zijn collega’s uit Wageningen halverwege de jaren 50 leverde, naast een prachtige kaart met bodemsoorten van oostelijk West-Friesland, voor het eerst ook een overzicht op van ‘oude woongronden’. Hiermee werden terreinen bedoeld waar veel (voornamelijk prehistorische) vondsten aan het oppervlak werden gevonden. Kort na de publicatie van Ente deed dhr. Schipper uit Zwaag in 1964 melding van aardewerk en hoogteverschillen op een perceel ten zuiden van de Streekweg. De archeologen van het Albert Egges Van Giffen Instituut voor Prae- en Protohistorie (IPP) van de Universiteit van Amsterdam namen poolshoogte en begonnen met opgravingen.

tolhuis

Locatie van de verschillende opgravingen ten zuiden van de Streekweg. De vindplaatsen zijn met een letter aangegeven. De twee terreinen die in 2014 zijn opgegraven zijn met een stippellijn weergegeven.

In de jaren 1964-65 werden enkele kleine werkputten aangelegd (vindplaats A, B, C en E). In 1965 vond op vindplaats D een meer uitgebreid onderzoek plaats. Hier werden twee grafheuvels uit de midden-bronstijd ontdekt en een graf met vrouw en kind. Naast de grafheuvels werden ook enkele zeer vondstrijke greppels uit de late bronstijd onderzocht. In de zomer van 1966 begonnen de archeologen met echt grootschalig onderzoek in het westen van het terrein, vindplaats F. Daar werd vrijwel aaneengesloten gegraven tot in het voorjaar van 1969. In 1979 werd nog een groot (westelijk) deel van de vindplaats opgegraven. Toen bleef het lange tijd stil. Totdat archeologen in november vorig jaar een tweetal terreinen grenzend aan vindplaats F konden opgraven.

Vindplaats F. Bewoningssporen en akkers uit de midden-bronstijd (ca. 1500-1100 v. Chr.)

Tijdens het oude onderzoek is in totaal bijna 2,3 ha opgegraven. Het onderzoek uit 2014 heeft daar nog eens 1,5 ha aan toegevoegd. Op het onderstaande overzicht staan alle sporen en structuren van de opgravingen op vindplaats F weergegeven. De meeste sporen bestaan uit nederzettingsresten uit de midden-bronstijd. Zoals gebruikelijk domineren greppels het overzicht. Deze zijn gegraven rond boerderijen (huisgreppels) en vormen vaak de begrenzing van de erven. Op 13 plekken zijn boerderijen aangetroffen. Aan de opeenvolging van boerderijen is te zien dat sommige plekken enkele generaties als woonerf in gebruik zijn geweest.

askaardvplF

Overzicht van alle bronstijdsporen op vindplaats F. De huisplaatsen zijn met een rood raster weergegeven. Sporen uit de midden-bronstijd bestaan uit greppels (blauw) en kringgreppels (groen). In bruin de greppelsystemen uit de late bronstijd.

De Westfriese bronstijdboerderijen hebben een driebeukige indeling. De dakdragende constructie bestaat uit een rij gebinten die op regelmatige afstand van elkaar zijn geplaatst, de lengte van de boerderijen varieert van 10 tot wel 25 meter. Van de wanden vinden we bijna nooit iets terug. We vermoeden dat deze uit plaggen hebben bestaan. Heel soms worden er stakenrijen ter hoogte van de wand gevonden, die zullen langs de plaggenwand hebben gestaan. Bij enkele plattegronden van Tolhuis F zijn enkele smalle greppeltjes ter hoogte van de wand gevonden. Deze wandconstructie is nog nergens anders aangetroffen in West-Friesland. In deze greppels kan een plank of balk zijn gelegd waarop staken hebben gerust. Dit kan ook zijn uitgevoerd in combinatie met een plaggenwand.

 

hs08

Sporen van een huisplaats uit de midden-bronstijd (zwart) op vindplaats F. De breedte van de boerderij kan worden bepaald door wandgreppels (blauw raster). De dakdragende constructie is in rood raster weergegeven.

Op de erven zijn honderden kleine ronde structuren gevonden, smalle greppeltjes die in een cirkel van ongeveer 4 meter zijn gegraven. Deze kringgreppeltjes zijn typische Westfriese bronstijdstructuren die mogelijk met de opslag van de oogst te maken hebben.

Bijzonder aan de vindplaats is dat over grote delen van het terrein sporen van akkerpercelen zijn gevonden. Op plekken waar de ploeg diep in de ondergrond sneed, zijn smalle ploegkrassen bewaard gebleven. De ploegkrassen zijn zowel over als onder nederzettingssporen waargenomen. Dit betekent dat oude erven later in gebruik zijn genomen als akker en dat op oude akkers boerderijen zijn gebouwd. Deze bewoningsdynamiek zien we op veel Westfriese nederzettingsterreinen terug, maar alleen tijdens het onderzoek langs de Streekweg kon deze opeenvolging op enkele plekken ook worden vastgesteld in het bodemprofiel. Dit is een unieke situatie die het mogelijk maakt vraagstellingen over de aard en tijdsdiepte van de verschillende activiteiten voorafgaand, tijdens en na de bronstijd te onderzoeken.

Vindplaats F. Erven uit de late bronstijd (ca. 1100-800 v. Chr.)

Op vindplaats F zijn twee grote concentraties met sporen uit de late bronstijd aangetroffen. Op onderstaand overzicht is duidelijk te zien dat we hier te maken hebben met een ander nederzettingssysteem dan in de voorgaande periode. In plaats van een uitgestrekt gecultiveerd landschap met greppels en boerderijen die zich over een groot gebied uitstrekken, zien we in de late bronstijd een clustering van bewoning, die zich kenmerkt zich door greppelbundels die percelen van ca. 50 x 50 m omsluiten.

In het noordoosten zijn twee huisplaatsen aangetroffen binnen enkele forse greppels uit de late bronstijd, die zeer waarschijnlijk geassocieerd kunnen worden met de greppelsystemen. We moeten voorzichtig zijn met het dateren van structuren op basis van mogeljke associaties, maar er is nog een aanwijzing dat de plattegronden in de late bronstijd dateren. Paalkuilen van één huis snijden namelijk een greppel die in de late bronstijd dateert. De huizen lijken wat betreft opbouw nog sterk op de huizen uit de midden-bronstijd, een driebeukige indeling en op regelmatige afstand van elkaar geplaatste gebinten. Alleen de kenmerkende huisgreppel ontbreekt. De forse greppels rondom de huisplaatsen zullen een belangrijke drainerende functie hebben gehad.

In het noordwesten zien we een greppelsysteem uit de late bronstijd met een wel zeer strakke layout. Het onderzoek dat hier werd uitgevoerd (in 1979) was vooral gericht op stratigrafie en chronologie van bewoningssporen uit de late bronstijd. Door het bestuderen van de oversnijdingen en opvullingen van de greppels, kon men destijds vaststellen dat de greppels in de loop van de late bronstijd steeds verder vanuit het ‘binnenterrein’ zijn aangelegd. Uniek voor dit complex is de aanwezigheid van late bronstijd sporen binnen het greppelsysteem. Van de opgraving Bovenkarspel-Het Valkje kennen we vergelijkbare greppelsystemen, maar de binnenterreinen zijn daar leeg. In Hoogkarspel zijn op het binnenterrein enkele greppelstructuren en stakenrijen waar te nemen. De afmeting en vorm van de greppelstructuren heeft wel wat weg van huisgreppels, maar paalkuilen ontbreken. Deze zou je hier wel kunnen verwachten net als binnen het nabijgelegen complex uit de late bronstijd. De kleine greppelstructuren kunnen ook een andere functie hebben gehad, bijvoorbeeld als omheining voor vee.

lbt

De twee spoorclusters uit de late bronstijd op vindplaats F. In het westen bevindt zich een rechthoekig omgreppeld terrein (zwart) met enkele greppelstructuren op het binnenterrein (rood). In het oosten kunnen enkele greppels (zwart) met huisplaatsen (blauw) worden geassocieerd.

Eerste resultaten van het onderzoek uit 2014

De uitwerking van de opgraving van enkele maanden geleden is nog niet volledig afgerond. Een overzicht van de sporen en structuren ontbreekt daarom nog, maar er kunnen wel enkele interessante observaties worden gedaan. De opgraving concentreerde zich ten noorden en zuiden van vindplaats F. Het was voor de archeologen spannend of de unieke complexe stratigrafie nog aanwezig zou zijn, dus dat cultuur- en akkerlagen van elkaar gescheiden waren. Dit bleek helaas niet het geval te zijn. De ondergrond van het perceel waarop het onderzoek zich concentreerde bleek tot grote diepte te zijn verstoord. Op sommige locaties die grensden aan de oude ‘volle’ opgravingsputten werd geen enkel bronstijdspoor meer aangetroffen. Dit laat zien maar weer eens zien hoe vernietigend de ruilverkaveling kon zijn voor het bodemarchief. Gelukkig waren andere delen van het perceel minder ingrijpend op de schop gegaan, per perceel kan dit dus verschillen maar ook binnen één perceel. Op een groot aantal plekken konden toch nog veel bronstijdsporen worden opgetekend.

In het zuiden bevinden zich enkele huisplaatsen en weer veel greppels. Een aantal bronstijdgreppels die 50 jaar geleden zijn gevonden, sluiten mooi aan op de greppels in de nieuwe opgravingsputten. In het noorden zijn naast vele tientallen kringgreppels veel greppels van het late bronstijd complex aangetroffen. Deze konden nog zeker 40 m in westelijke richting worden gevolgd, wat het gehele complex dus een stuk omvangrijker maakt. Voor het oude onderzoek op vindplaats F waren geen 14C-dateringen beschikbaar. Het huidige onderzoek stelt ons in de gelegenheid om gericht enkele contexten voor 14C-onderzoek te dateren, zodat we voor het de hele vindplaats een meer gedetailleerd beeld kunnen krijgen van ontwikkelingen in de midden- en late bronstijd.

hkltunnel

De opgraving ten zuiden van de Streekweg in 2014. Links op de achtergrond is de Watertoren van Hoogkarspel te zien.

Meer lezen over het oude onderzoek van Hoogkarspel-Tolhuis?

Bakker, J.A., & R.W. Brandt, 1966: Opgravingen te Hoogkarspel III: Grafheuvels en een terp uit de Late Bronstijd ten ZW van het Medemblikker Tolhuis. (Westfriese Oudheden, 9). West-Frieslands oud en Nieuw 33, 176-224.

Bakker, J.A., & W.H. Metz, 1967: Opgravingen te Hoogkarspel IV: Het onderzoek in 1966 van vindplaats F ten ZW van het Medemblikker Tolhuis (voorlopige mededeling). (Westfriese Oudheden, X), West-Frieslands Oud en Nieuw 34, 202-228.

Bakker, J.A., Ph. J. Woltering & W.J. Manssen, 1968: Opgravingen te Hoogkarspel (V). Het onderzoek van vindplaats F in 1967 (voorlopige mededeling). (Westfriese Oudheden, XI), West-Frieslands Oud en Nieuw 35, 192-199.